 |
|
|
|
 |
Uitgangspunten |
| |
Enkele voorbeelden:
1. Er wordt een appèl gedaan op meerdere intelligenties. Naast
taalkundig-verbale en wiskundig-logische, is er ook sprake van
ruimtelijk-visuele, lichamelijk-motorische, muzikaal-ritmische,
sociale (interpersoonlijke), reflectieve (intrapersoonlijke) en
natuurgerichte intelligentie.
2. Differentiatie is een basisgegeven van Natuurlijk Leren. Individuele
leerprocessen, werken op eigen niveau en eigen ontwerp van je leer- en
ontwikkelingsroute zijn kenmerkend.
3. De leerlingen worden uitgedaagd tot actief leren. Daarvoor is het
noodzakelijk de leerlingen vertrouwen te geven en zelfstandig op pad te
laten gaan in de reële maatschappelijke context.
|
|
|
|
 |
De praktijk |
| |
1. Leraren vervullen in het Natuurlijk Leren twee rollen: het
begeleiden/ coachen van de leerlingen (de rol van leermeester) en het geven
van workshops en trainingen: gespecialiseerde instructie (de rol van coach).
2. Sturend voor het leerproces zijn niet alleen de vakmethodes, maar
tevens het niveau en de keuze van de leerling.
3. Leerlingen werken o.a. aan prestaties: betekenisvolle en concrete
opdrachten met een echte opdrachtgever, waar leerlingen uit kunnen kiezen.
Het eindresultaat doet er dus toe.
4. Aan het eind van elk thema (periode van ongeveer 6 weken) is er een
week van reflectie, terugkijken op wat de leerling heeft gedaan en wat het
resultaat is. Leerlingen presenteren
dit ook vaak aan elkaar.
5. In de ochtenden werken we in instructiegroepen aan de
basisvaardigheden, zoals taal, rekenen, spelling, (begrijpend en technisch)
lezen. In de middagen is er ruimte voor workshops
en clubs in het kader van Natuurlijk Leren. |
|
|
|
 |
Basisgroepen |
| |
Alle leerlingen beginnen en eindigen de dag in de basisgroep. Er zijn
acht basisgroepen, voornamelijk combinatiegroepen. De basisvakken (rekenen,
taal, schrijven) worden in de ochtend in de basisgroep gevolgd volgens een
vast weekrooster. De overige vakken (expressievakken, geschiedenis,
aardrijkskunde) volgen de leerlingen in de middag met kinderen van
aangrenzende groepen. Bepalend hierin zijn de interesses, talenten en/of
werkpunten van het kind. |
|
|
|
 |
Instructiegroepen |
| |
Uitgangspunt bij het model van directe instructie is, dat ieder kind
werkt op zijn of haar eigen niveau. Elk kind leert op een andere manier: het
ene kind kan na een korte instructie aan de gang, het andere heeft juist wat
extra uitleg nodig. Het ene kind moet hard z’n best doen om de basisstof te
beheersen, een ander heeft juist extra uitdaging nodig. |
|
|
|
 |
Clubs en workshops |
| |
Een workshop is een eenmalige (werk)les over een bepaald onderwerp,
een club is een lessenreeks binnen een bepaald thema en/of een bepaald
vakgebied. Bijzonder hieraan is, dat kinderen zelf kiezen voor de lessen die
passen bij hun talenten en/of hun interesses. De leerkracht heeft hierbij
een sturende en coachende rol. Dit is de kern van Natuurlijk Leren: het
verder ontwikkelen van de eigen talenten.
|
|
|
|
 |
Kaleidoscoop |
| |
Kaleidoscoop is een VVE-programma dat ontwikkeld is voor twee- tot
zesjarigen. VVE staat voor Voor- en Vroegschoolse Educatie. De
peuterspeelzaal wordt voorschool genoemd, de groepen 1 en 2 vallen onder de
vroegschool. Bij Kaleidoscoop staan de sleutelervaringen centraal. Daar
worden de ervaringen met de verschillende ontwikkelgebieden mee bedoeld. Om
te zorgen dat kinderen zich op de verschillende gebieden ontwikkelen moet er
aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Een rijke leeromgeving is daar
één van. De klas is daarom verdeeld in hoeken. Ook de structuur die in de
dag aangebracht wordt door middel van een voorspelbaar dagschema, is een
belangrijke voorwaarde.
Omdat er wordt uitgegaan van de intrinsieke motivatie van kinderen sluit
Kaleidoscoop naadloos aan op het Natuurlijk Leren. Daarnaast leren de
kinderen ook al de basisbeginselen van het reflecteren en evalueren waar ze
veel profijt van hebben in de midden- en bovenbouw.
In de klas wordt in drie niveaugroepen gewerkt, waardoor er meer aandacht is
voor de leerlingen. Om optimaal tegemoet te kunnen komen aan de verschillen
tussen kinderen is er een aantal dagdelen per week sprake van dubbele
bezetting in de groepen 1/2. Op die manier kan de ontwikkeling van de
kinderen nauwlettend gevolgd worden.
|
|
|
|
 |
Thema's |
| |
In een schooljaar komen er verschillende thema’s aan bod, buiten de
‘gewone’ thema’s, als Sinterklaas, Kerst, Pasen etc. De school kiest voor
thema’s die aansluiten bij de behoeften van de kinderen en bij de
verschillende leerjaren. De clubs en workshops vallen binnen het thema.
|
|
|
|
 |
Portfolio's |
| |
In het portfolio bewaren de kinderen werk waar zij trots op zijn en
bewijsmateriaal waarmee aangetoond wordt wat het kind tijdens een periode
geleerd heeft. Samen met de leerkracht wordt bepaald wat er in de map komt.
Ook bevat het portfolio de leer- en ontwikkelingslijnen. De leerlijnen
geven de cognitieve ontwikkeling aan (spelling, rekenen, lezen, etc.) en de
ontwikkelingslijnen de persoonlijke ontwikkeling (zelfstandigheid,
samenwerken, etc.).
Een overzicht van de niet-methodegebonden CITO-toetsen zit ook in de map.
Aan het einde van het schooljaar wordt een eindverslag aan het portfolio
toegevoegd.
Drie keer per jaar zijn er portfoliogesprekken. Eerst voert de leerkracht
een gesprek met het kind apart, daarna met het kind en de ouders. Minimaal
één keer per jaar spreekt de leerkracht met alleen de ouders. De
portfoliomappen kunnen tussendoor ook door de ouders worden ingezien. De
mappen staan op een vaste plaats in het lokaal. |
| |
|
|
|
|